De ideale verdeling van organismen over de ruimte,

en hoe dat bij mensen (nog?) niet erg lukt

 

Ecologie: Ideal Free Distribution (IFD)

Actualiteit: migratie

 

Het begrip IFD

 

“The Ideal Free Distribution" is een begrip uit de ecologie. "Distribution" is de verdeling van individuen van een bepaalde soort over de ruimte. "Free" betekent dat er geen belemmeringen zijn voor individuen om de meest gunstige plek op te zoeken, ongeacht de afstand. "Ideal" wil zeggen dat overal de dichtheid van de individuen zodanig is dat ze er juist genoeg energie en bouwstoffen (samen "resources") vinden om een stabiele populatiedichtheid te handhaven. Dat betekent per koppel gemiddeld twee nakomelingen die zelf weer tot reproductie overgaan. Bij ongeslachtelijke vermeerdering gemiddeld één nakomeling per individu. De reproductie wordt juist gecompenseerd door de sterfte. De soort is dan overal op zijn zogenaamde "carrying capacity" ofwel zijn maximale stabiele dichtheid of nog anders gezegd zijn biologische capaciteit. Het reproductieniveau is vaak hoog, zeker hoger dan twee of één. Dat heeft als consequentie dat die reproductie gecompenseerd zal worden door veel sterfte voordat de reproductieve leeftijd bereikt wordt. Vandaar de bekende term “strijd om het bestaan”: een strijd om te overleven en tot reproductie te komen. Bij seksuele reproductie is dat laatste een belangrijke bottleneck op zich.

 

Het milieu in ruimte en tijd

 

            Het milieu is over het algemeen heterogeen. Op sommige plaatsen zijn er veel resources, op andere plaatsen weinig. De dichtheid van de soort zal daar dan respectievelijk hoog en laag zijn. Bij een stationaire toestand (het zijn altijd dezelfde plaatsen die "rijk" of "arm" aan resources zijn) hoort een stabiele dichtheidsverdeling van de soort; migratie heeft geen effect. We gaan er van uit dat op alle plaatsen waar er voldoende resources zijn en ook verder gunstige omstandigheden heersen, zoals temperatuur (de "niche" van de soort is aanwezig), de soort daar heeft kunnen arriveren. Dat is niet vanzelfsprekend. Op andere continenten vinden we meestal andere soorten, omdat er onoverbrugbare barrières zijn. Dat kan ook gelden voor eilanden, meren en rivieren, bergtoppen, bosgebieden etc. die effectief van elkaar gescheiden zijn door gebieden waar de soort niet kan leven. Kleinere barrières kunnen overbrugd worden als er af en toe individuen zijn die de riskante sprong met succes bekronen.

            Als het milieu qua kwaliteit niet in een stabiele toestand verkeert, maar in de loop van de tijd snel van "rijk" naar "arm" en omgekeerd kan veranderen, is het nuttig als individuen voldoende mobiel zijn om snel naar betere plaatsen te vertrekken bij teruglopende resources. Dat geldt ook als er nieuwe gebieden voor de soort beschikbaar komen. Over het algemeen staat er een beloning op het hebben van een zeker vermogen tot migratie. Helemaal niet kunnen migreren is op lange termijn een verliezende strategie, omdat open gekomen plaatsen dan bezet worden door variëteiten die dat wel kunnen. Migratie is belangrijker naarmate het milieu heterogener is in de ruimte maar vooral in de tijd.

 

Alternatieve vormen van dichtheidsregulatie

 

            Dichtheidsregulatie kan bij bepaalde diersoorten anders verlopen dan bij planten of veel “primitieve” organismen. Sommige soorten vertonen territoriumgedrag; de maximale dichtheid van de soort wordt dan bepaald door de maximale grootte van de territoria. Bij meer resources kunnen territoria kleiner zijn met daardoor een grotere dichtheid van de soort in een bepaald gebied. Het territorium is een soort garantie voor een goed leven voor een deel van de populatie. Het andere deel is in principe uitgesloten van reproductie, maar zal proberen zich toch ergens te vestigen of, bij mannetjes, ”overspel” te plegen.

            Ingewikkelder wordt het als een soort sociaal gestructureerd is. We komen dan op het terrein van de primitieve mens, die evenals sommige andere diersoorten in hechte groepen leefde en hier en daar nog leeft. De resources worden door het collectief verzameld en benut voor reproductie, terwijl de sterftekans door wederzijdse bescherming geminimaliseerd wordt. Net als bij territoria is er een bepaald benodigd areaal per groep. Maar waar bij territoriale soorten het territorium vaststaat voor een bepaald individu of koppel, kunnen groepen dieren migreren in de loop van hun bestaan. En waar bij territoriale soorten indringers uit het territorium verjaagd worden, zal bij groepen een zekere vijandigheid tussen groepen kunnen optreden als ze teveel in elkaars vijver vissen. Of ze kunnen hun heil elders zoeken.

 

De “klassieke” mens van jager-verzamelaar tot landbouwer

 

De modernere mens (Homo sapiens en enkele voorlopers) heeft door intelligent gebruik van gereedschappen zijn niche enorm uitgebreid, waardoor hij onder veel meer milieuomstandigheden kon leven dan zijn meer aapachtige voorouders. De consequentie was dat hij ook veel meer gebieden kon koloniseren. Er waren weinig concurrenten in de vorm van andere soorten met een soortgelijke niche. Nadat Homo sapiens definitief een dominante positie had verworven werden geleidelijk alle continenten door deze soort bevolkt. De migratiemogelijkheden waren hier en daar wel beperkt, waardoor het lang geduurd heeft voordat bijvoorbeeld Amerika door de mens bevolkt is geraakt. Nieuw-Zeeland is zelfs pas recent (ruim 1000 jaar geleden) door de mens bevolkt.

            De mens was lange tijd jager-verzamelaar, maar als jager bijzonder vaardig. Zijn dichtheid was daardoor behoorlijk hoog voor een groot jagend zoogdier, maar nog steeds heel erg laag als je het vergelijkt met nu. Lange tijd is er een dynamisch evenwicht geweest in die dichtheid. Op goede plaatsen hoger en op slechtere plaatsen lager; op heel slechte plaatsen was de mens afwezig. Ook in de tijd waren er fluctuaties. Tijdens de laatste ijstijd was de dichtheid in noordelijke gebieden laag en werd daarna weer hoger. Maar aan het eind van die ijstijd werd de mens op verschillende plaatsen een nieuwe kunde machtig: landbouw en veeteelt. Het gebeurde ongeveer gelijktijdig in China, het Midden-Oosten, Amerika en Nieuw-Guinea toen het klimaat weer gunstiger werd. De opbouw van de menselijke soort in sociale groepen met een zekere mobiliteit ging geleidelijk veranderen in een soort stelsel van territoria, met een min of meer stabiel grondbezit als basis. Een grondbezit dat in families overgeërfd kon worden. Rijkere gronden herbergden meer territoria of grotere families.

De maximale dichtheid van de landbouwers, hun carrying capacity, was veel hoger dan die van de jager-verzamelaars, met als consequentie dat de landbouw zich overal verspreidde waar die mogelijk was. Bij ons was dat, vanuit het Midden-Oosten, ongeveer 6000 jaar geleden. Het opnieuw bereiken van de -hogere- carrying capacity betekende wel dat ook de landbouwers weer een even moeilijk bestaan kregen als de jager-verzamelaars. Ook hier werd grote reproductie gecompenseerd door grote sterfte en was het bestaan niet altijd gemakkelijk.

 

De industriële revolutie

 

            Omdat nog steeds overal de carrying capacity werd bereikt was er nog steeds weinig neiging tot migratie. Behalve als ergens de omstandigheden snel verslechterden of verbeterden: dan kon dat leiden tot volksverhuizingen. Later, toen vorstendommen en nog later natiestaten tot stand kwamen, werd de lokale bevolking door deze machtsstructuren beschermd tegen "indringers", waardoor plaatselijk de rijkdom tijdelijk kon toenemen, zoals in steden. Enkele individuen konden nog wel opgenomen worden in de plaatselijke bevolking, maar liefst alleen als ze van nut waren en snel assimileerden. "Zwervers" als joden en zigeuners assimileerden niet, maar werden min of meer geduld, met af en toe vervolgingen als het economische slechter ging.

            Geleidelijk aan kwam in het afgelopen millennium een wetenschappelijke ontwikkeling op gang die resulteerde in de industriële revolutie, zo rond het jaar 1800. De bevolkingsdichtheid nam opnieuw toe. Ook toen, net als bij de jager-verzamelaars en de landbouwers was er een neiging tot het opnieuw bereiken van de – nog weer hogere- carrying capacity. In de praktijk heeft dat ook in die tijd betekend dat, hoewel vrouwen wel tien of meer kinderen konden krijgen, er toch maar gemiddeld twee zelf weer de reproductieve leeftijd bereikten, of zich om andere redenen niet reproduceerden. Kindersterfte was normaal, mensen werden gemiddeld niet oud, en hadden niet altijd de middelen om een gezin te stichten. Van grote stromen economische vluchtelingen was nog geen sprake omdat de armoede vrij goed over de wereld was verdeeld: zowel in Afrika en Azië als in de sloppenwijken van het geïndustrialiseerde Europa. Ook was het reizen over grote afstanden nog beperkt mogelijk.

 

De "modernere" mens en de technologische vooruitgang - geboortebeperking

 

De mens, ook de Europese, was dus tot ongeveer 200 jaar geleden nog "klassiek" in ecologische zin omdat de carrying capacity ook na de industriële revolutie weer snel werd bereikt. De principiële kentering kwam vooral in de loop van de 19de en begin 20ste eeuw. Het essentiële verschil met alle voorgaande perioden in de menselijke geschiedenis was dat de geboorten werden beperkt, en dat terwijl door de nog steeds voortschrijdende technologie de resources bleven toenemen. Oded Galor analyseert in zijn boek “De reis van de mensheid” (2022) hoe deze omslag tot stand kwam. Het werd belangrijker om veel in kinderen te investeren, want een betere opleiding was in de steeds complexere economie van toenemend belang voor een goede toekomst. En veel investering per kind kon het gemakkelijkst bereikt worden door minder kinderen te krijgen. Het gevolg was een steeds grotere welvaart voor iedereen in de gebieden waar de technologische vooruitgang plaatsvond. In eerste instantie was dat in Europa en later op meer plaatsen in de wereld. De carrying capacity nam er nog steeds toe, maar voor het eerst was er geen tendens om weer de grenzen van het bestaan op te zoeken door meer nakomelingen te krijgen. Integendeel, in Europa, waar dit zich het duidelijkst afspeelde, bleef bevolking steeds verder onder de carrying capacity. Dat betekende een welvarend leven voor het gros van de bevolking. In sommige delen van de wereld, waar de technologische ontwikkeling is achtergebleven, is de bevolking nog wel steeds op zijn carrying capacity, door beperkende resources, vaak leidend tot veel geweld en nog steeds hoge geboorte- en sterftecijfers. Migratie uit deze misère wordt hoe langer hoe interessanter naarmate er elders aantrekkelijker alternatieven aanwezig zijn.

 

Migratiestromen zijn verre van “Free” door economische en culturele barrières

 

            We keren nu terug naar de Ideal Free Distribution. De "Distribution" is tegenwoordig mondiaal gezien, zoals als vermeld, verre van "Ideal". In het geval van "Free" zouden migratiestromen op gang komen die de welvaart op den duur zouden egaliseren, maar er zijn twee grote belemmeringen. Ten eerste zal de welvarende bevolking, vanwege het eigenbelang, niet willen dat de resources over veel meer individuen verdeeld worden. Doordat ze welvarend zijn hebben ze bovendien de macht om migratiestromen tegen te houden. Alleen mondjesmaat zullen er wat moeilijke gevallen toegelaten worden die dan wel aangemoedigd worden om te assimileren. Ten tweede, en dat is misschien het belangrijkste obstakel om tot een gelijkmatige “Distribution” te komen, is de culturele verscheidenheid van de mensen op onze aardbol. Binnen landen is de cultuur vaak tamelijk homogeen en kan een idealere dichtheidsverdeling nog wel tot stand komen. Tussen landen wordt het moeilijker, laat staan tussen werelddelen.

            De kern van de zaak is dat mensen zich het prettigst en veiligst voelen als ze omringd worden door mensen met dezelfde culturele achtergrond. Bij vreemdelingen weet je niet altijd goed wat je aan ze hebt. Uiteraard geldt voor de mensen uit de minder welvarende gebieden op aarde, hoe moeilijk de leefomstandigheden soms ook zijn, evenzeer een voorkeur om zich omringd te weten door mensen van de eigen cultuur. Maar het eerder aangegeven voordeel voor een soort om toch af en toe individuen te hebben die migreren (vanwege de “verliezende strategie” om dat nooit te doen) leidt er toe dat er toch een zekere migratiedruk zal zijn van arme naar rijke gebieden. De migranten zijn veelal de meer ondernemende individuen die er voor kiezen het risico te nemen om de gevaren te doorstaan en om zich aan een vreemde omgeving te moeten aanpassen.

           

Populisme - eigen volk eerst

 

            Vooral het minder welgestelde deel van de bevolking van de rijke landen zal gevoelig zijn voor de komst van arme immigranten uit andere culturen. Ze worden er het meest mee geconfronteerd en ondervinden er de meeste concurrentie van. Hun culturele omgeving wordt verstoord en hun voorzieningen zoals wonen worden er door beperkt. Voor politici ligt hier een vruchtbaar terrein om te scoren. Thomas Piketty beschrijft in zijn boek “Kapitaal en ideologie” (2019) uitgebreid hoe aan het einde van de 20e eeuw er een politieke transitie heeft plaatsgevonden in Europa en Noord-Amerika. Daarvoor stemde het armere deel van de bevolking socialistisch om economische redenen. Het sleutelwoord: nivellering. Erna werd een steeds groter deel van deze bevolkingsgroep gevoelig voor “populisten” die immigratie als de grootste bedreiging aanvoerden. Politiek links ging voortaan veel van zijn kiezers uit de goed opgeleide bovenlaag betrekken en uit de al eerder genoemde “kosmopolieten” die zich in hun eigen bubbel konden afzonderen van de mensen uit andere culturen. Piketty stelt dat de vroegere één-dimensionale links-rechts tegenstelling veranderd is in vier groepen door een verdeling langs twee assen: pro of contra herverdeling en pro of contra immigratie.

 

Oplossingen

 

Oplossingen op korte termijn lijken erg moeilijk. Je kunt muren bouwen, vluchtelingen terugduwen, opvangplaatsen extreem onaantrekkelijk maken. Maar ondernemende migranten die alles riskeren om het beter te krijgen zullen blijven komen. En ondertussen wint het populisme aan invloed. Egalisatie van welvaart door geld over te hevelen naar achtergebleven gebieden is geen oplossing. Politieke partijen in de rijke landen die tegen een afname van de welvaart in hun land zijn zullen onmiddellijk de verkiezingen winnen. Zelfs als de consequenties tijdelijk en relatief beperkt zijn, want politieke winst wordt behaald op korte-termijn effecten.

            Op de lange termijn zal het uiteindelijk toch een keer moeten lukken. De gebieden waar de bevolking nu te talrijk is voor de beschikbare resources, met als consequenties hongersnoden en gewelddadige conflicten, zullen moeten worden omgevormd tot stabiele samenlevingen die net als bij ons ver onder hun carrying capacity blijven. Twee stabiele eindtoestanden zijn voorstelbaar op (zeer) lange termijn:

1) ieder gebied, met behoud van zijn eigen culturele geaardheid, bereikt ongeveer hetzelfde welzijnsniveau. Weinig mensen zullen dan nog hun vertrouwde culturele omgeving willen verlaten. De enkeling die dat toch wil zal kwantitatief geen probleem vormen.

2) de essentiële culturele verschillen verdwijnen langzamerhand. Migratie is daardoor een kwestie van elders in die cultureel homogene wereld een bestaan zoeken, net zoals dat nu binnen (deel)staten zonder barrières mogelijk is. Iedereen is al bij voorbaat geassimileerd.

Het meest waarschijnlijke en ook het meest aantrekkelijke van de twee mogelijkheden lijkt scenario 1. Welstand lijkt gemakkelijker te veranderen dan culturele geaardheid. Bovendien wordt culturele diversiteit (vooral als het elders is…) als interessant en waardevol ervaren. Zoals ook biodiversiteit algemeen als zeer waardevol wordt beschouwd. En zelfs een veelheid aan talen is interessant, ondanks het evidente voordeel van één taal voor de hele mensheid.

 

Hoe zullen we hier later naar terugkijken?

 

Als we er over een paar eeuwen nog zijn – wat een reële vraag begint te worden – hoe zullen we dan terugkijken op de huidige toestand?